Papierdorp

GESCHIEDENIS VAN HET PAPIER
Papier bestaat al heel lang. De 1e vorm van papier ontstond ongeveer 5000 jaar geleden in Egypte. Daar groeide de papyrusplant aan de oevers van de Nijl. De stengel van deze plant werd in repen gesneden waarna ze van die repen een soort matje vlochten. Dit matje werd platgeslagen en gedroogd in de zon. Zo ontstond een papyrusblad.

Veel later, ongeveer 100 jaar na Christus vond ene meneer Ts’ai Lun in China een nieuw soort papier uit. Hij stampte om papier te maken visnetten, oude lappen (lompen) en boomschors fijn. Daarna werd er water bijgevoegd zodat een soort brij ontstond. Door de bij uit te smeren en op te laten drogen in de zon kreeg je hele dunne vellen papier.

Dat papier was alleen niet zo sterk. Om het sterker te maken, ging men later fijngemalen hout gebruiken, waar ze ook een brij van maakten.

PAPIER MAKEN
Het maken van papier begint bij de aanvoer van hout. Papier wordt namelijk van verschillende houtsoorten gemaakt. Van 65 % esdoornhout, 25 % berkenhout en 10 % populierenhout. Om 1000 kilo papierpulp te maken heb je 2000 kilo hout nodig. Eerst wordt de schors van de bomen gehaald. Dat duurt ongeveer 20 minuten. Die schors wordt verbrand om stoom te maken, en die stoom drijft daarna de machines aan. Handig hè? De kale stammen worden op een transportband gelegd, terwijl een technicus alles goed in de gaten houdt. Het hout wordt vermalen tot snippers. Die snippers worden opgestapeld en buiten opgeslagen. Zó zien die houtsnippers eruit. Op deze vijf stapels ligt wel 30 miljoen kilo houtsnippers. We gaan er houtpulp van maken, maar dan moet het hout wel eerst gewassen worden. Op dit scherm is te zien of het hout goed in de machine gaat. Na het wassen, wordt het hout gekookt. De snippers zitten dan een paar uur lang in deze enorme cilinder bij een temperatuur van wel 158 graden. Na het koken gaat het hout in een oven. En wat zie je dan: bij 1000 graden smelten bepaalde chemische stoffen en ontstaat er een soort zwarte lava. Die zwarte lava wordt eruit gehaald en gebruikt om stoom mee te produceren. De rest van de houtpulp wordt dan nóg een keer gewassen en naar een bezinkbak gebracht. De té grote stukken zakken dan vanzelf naar de bodem. Met deze spatel wordt gecontroleerd of de houtpulp schoon genoeg is. Dán moet de pulp nog gebleekt worden. Dat gebeurt in deze machine, met hulp van chemische middelen zoals chloor. Iedere keer wordt het een beetje witter. Na het bleken moet het wáter nog uit de pulp gehaald worden. Daarvoor wordt de pulp eerst door deze schroef verdeeld en naar opslagtanks gepompt. Dán wordt het water eruit gehaald. De hoeveelheid water in de houtpulp zakt van 95% naar 5%. En als die droge pulp wordt geplet, dan heb je papier! De kwaliteit van het papier wordt goed gecontroleerd. En dan wordt het op grote rollen gedraaid. Als een spoel vol is, komt er gewoon weer een lege. Op een volle rol zit 60 km papier en die weegt meer dan 35.000 kilo! De grote rol wordt door deze machine in smallere rollen gesneden. Sommige worden zó afgeleverd, andere gaan nu nog door naar de papiersnijders. Maar de rollen gaan eerst allemaal naar een magazijn. Daar worden ze opgeslagen en op een later tijdstip verwerkt. Via robots gaat het papier – op een rails – naar de papiersnijder. Die robots worden door een centrale computer gestuurd. De machine snijdt wel 55.000 vellen per minuut! De stapels papier worden afgevoerd op de lopende band. Voordat het wordt ingepakt, wordt het papier nog één keer gecontroleerd. Leuk om te weten: de fabriek produceert in één uur 6600 pakken papier. En minstens 15 pakken papier komen uit één boomstam.
(Bron ; NTR School TV Beeldbank)